zaterdag 6 april 2019

Actie voor Congo

schilderij van pater Martien in zijn rolstoel
Wat aanvankelijk ontstaan is uit de vriendschap met Pater Martien Konings SCJ en begonnen is als een eenmansactie voor het Centre Simama, is uitgegroeid tot een actie waar een grote groep mensen uit Oosterhout en met name uit Dorst zich met veel enthousiasme voor inzetten. Martien Konings opende in 1985 het centrum voor gehandicapte kinderen en volwassenen in Kisangani, toen hij zelf vanwege een verlamming aan beide benen, aan een rolstoel gekluisterd raakte. Hij overleed op 19 oktober 2017, maar zijn levenswerk onder de evenaar in Congo groeit onverminderd verder uit. Wij hebben de goedkeuring gekregen om onder de vlag van een Bisschoppelijke VastenActie (BVA) in en om de kerkdorpen van Oosterhout (N. Br.) gedurende drie jaar een inzameling te houden voor Centre Simama. De goodwill die we daarvoor van de plaatselijke bevolking krijgen is groot, zoals blijkt uit de vele positieve reacties. Scholen en de kerkplekken in Oosterhout en het verzorgingshuis in Dorst geven allemaal de gelegenheid om met foto's en een PowerPoint presentatie de actie voor Congo toe te lichten en onder de aandacht te brengen.

De reacties daarbij zijn hartverwarmend. Op de basisschool van Oosteind kwam een jochie me zijn voetbal aanbieden. Hij had gehoord dat de kinderen in Kisangani voetbalden met zelfgemaakte ballen van lappen stof en dat het centrum over slechts één bal beschikte voor een groep van dertig gehandicapte kinderen. Een overnemend meisje zei dat ze de jurk, die haar niet meer paste, zou gaan verkopen. Een ander kindje zou de eieren van hun kippen gaan verkopen. De actiebereidheid is groot bij deze allerjongsten.
We hadden op grond van onze verwachtingen voor de opbrengt van de actie een begroting van € 3.000,00 gemaakt. Van de BVA ontvangen we daar 50% bovenop. Het ziet er naar uit dat we ruim boven deze begroting uitkomen.

Make it possible
SIMAMA betekent in het Swahili STA OP, bedoeld om de gehandicapten op de been te helpen zodat zij zich onafhankelijk kunnen ontwikkelen. Mensen hier in onze omgeving komen ook in beweging en STAAN OP voor het centrum. We willen onze welvaart delen met de minderbedeelden die onder de evenaar een hard bestaan hebben, waar van overheidswege geen zorg voor gehandicapten is. Het Centre Simama in Kisangani is door Martien Konings overgedragen aan de Congolese afdeling van Frères de la Charité. Deze orde van lokale Congolese broeders beheert een groot aantal revalidatiecentra in Congo. Zij kennen de aard en de noden van hun landgenoten. Het is een organisatie die zich inzet voor de onderste lagen van de bevolking.

sporthal mogelijk gemaakt door Foundation Bralima-Heineken
Tijdens mijn verblijf in Kisangani werd me al snel duidelijk dat het hier om een goed georganiseerd centrum gaat. Lichamelijke en/of geestelijke handicapten krijgen aandacht en menswaardige zorg. Er zijn gehandicapten die er tegen betaling in dienst zijn, om in hun eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. De allerarmsten krijgen de nodige behandelingen graties. Omdat er geen 'smeergeld' wordt geaccepteerd, nemen de broeders een uitzonderingspositie in in Congo. Het zijn vooral fondsen zoals het Lilianefonds, de Stichting Bisschop Bekkers, het Internationale Rode Kruis, en vrienden van centrum die als weldoeners het werk in het centrum mogelijk maken. Foundation Bralima-Heineken heeft het centrum enkele jaren geleden een gloednieuwe sporthal geschonken.

Jos Bleijlevens heeft me gevraagd om op dinsdag 9 april in "Het Verhaal Centraal" over mijn ervaringen in Kisangani te vertellen. Vanaf 19.00 uur bent aan de Vondellaan 43 - 4904 BA - te Oosterhout van harte welkom, waar u in de Verrijzeniskerk ontvangen wordt met een kop koffie of thee. 

vrijdag 7 december 2018

Matata in Makiso

Het zorgeloze hakuma matata van verleden week was deze week even buiten zicht. Er waren serieuze rellen in Makiso, hier voor de deur en op weg naar het centrum. Studenten van de universiteit hadden ongevraagd een demonstratie gehouden tegen de verhoging van het studiegeld, en een wegblokkade opgeworpen. Toen een taxi-man me zijn motor een doorgang wilde forceren, werd hij gemolesteerd door studenten. Dat riep een solidaire actie op van alle motor-taxi chauffeurs. Twee groepen van dezelfde leeftijd, maar met een verschillende sociale achtergrond en een verschillend toekomstperspectief, stonden lijnrecht en grimmig tegenover elkaar. Groepen van honderden vechtlustige jongelui. De eerste dag raceten de motoren luid toeterend, schreeuwend en zingend hier door de straat. Sommige chauffeurs stonden in volle vaart met losse handen boven op hun motors. Geweld hing in de lucht en de politie loste waarschuwingsschoten. De volgende ochtend laaide de strijd weer vroeg op en gingen de schermutselingen over in geweld. Er hadden zich relschoppers bij aangesloten, die de gelegenheid te baat namen om die 'bevoorrechte' studenten een lesje te leren.

De laatste tijd ga ik te voet naar Centre Simama, een wandeling van ongeveer een kwartiertje. Toen ik vertrok leek het even rustig. Ver voor me waren de motor-taxi's op weg om de confrontatie met de studenten aan te gaan. Mensen langs de kant volgden actievoerders angstvallig. Ik zag iemand met een flink geweer voor de deur van zijn huis staan. Op een kruispunt vlakbij Simama kwam de meute in paniek terugrennen. Over en weer werd er met stenen gegooid. 'Je had in huis moeten blijven' zei een man, toen ik opzij moest springen om een verdwaalde kei te ontwijken. Ik had geen idee dat het zo uit de hand kon lopen. Hoe licht ontvlambaar hier de onderhuidse spanningen zijn.

In het centrum was het stil. Er was geen taxivervoer, dus waren er ook geen patiënten. De geplande huisbezoeken gingen niet door. Overal in de stad had de politie de weg geblokkeerd. Van het ene op het andere moment is de dagelijkse gang van zaken helemaal ontregeld. Gemoederen raken snel verhit onder evenaar. Met het oog op de geplande verkiezingen van 23 december worden mzungu's dan ook aangeraden om op tijd de wijk te nemen.

Die rellen tussen de studenten en de taxi-men - ze duurden twee dagen - leggen een gevoelige overheids-zenuw bloot. Zonder een goede infrastructuur van het land stagneert de economische ontwikkeling. Een snel groeiende vitale jonge generatie eist een betere toekomst voor zichzelf en hun kinderen. De uitzichtloze armoede, waarin driekwart van de Congolese bevolking leeft van een halve dollar per dag, is een kruidvat, dat ieder moment dat ontploffing kan komen. Het gaat om de ontwikkeling van de potentiële welvaart van het land, waarvan ook de armste bevolkingsgroepen willen profiteren. Het oosten van Congo en met name Kisangani kampt met spanningen met buurland Ruanda, dat hier onder meer de diamanthandel wil domineren. De aanwezigheid van militaire milities herinnert dagelijks aan het dreigende geweld van buitenaf. Daarnaast is er een solidaire weerspannigheid tegen het binnenlandse politieke beleid, dat de noden van de minderbedeelde meerderheid negeert: smeulende vuren die plotseling op kunnen laaien.

Kisangani is een metropool, samengesteld uit zes verschillende woonkernen: Tshopo, Makiso, Kisangani, Kabondo, Mangobo en Lubunga. Het totale inwonertal van Kisangani wordt geschat op anderhalf miljoen. Een verplichte officiële registratie bij de burgerlijke stand is er niet. Vanaf 18 jaar kunnen mensen zich laten inschrijven voor een verkiezingskaart. Sinds het officiële identiteitsbewijs na de dood van Lumumba is afgeschaft, geldt dit ook als een identiteitsbewijs,
Dwars door de stad stroomt gestaag de Congo. La Fleuve is met een lengte van 4.374 km. de grootste verkeersader van het land. Vanwege de talrijke watervallen is de rivier over 3.000 km bevaarbaar, vanaf ongeveer Kisangani tot aan de Atlantische Oceaan. Hier bij Kisangani en op weg naar Matadi zijn spoorwegen aangelegd om de watervallen te passeren.

Vandaag steken Dieudonné en ik de Congo over in een piroque. Ruim dertig man zit op de rand van een soort kano, die in één stuk uit een boom is uitgehouwen. Tijdens de spitsuren kost de overtocht 500 Congolese Francs per persoon. Dat is 35 eurocent. Op andere tijden wordt je voor 200 FC overgezet. We zijn op weg naar Lubunga. Dat ligt aan de overkant van La Fleuve. Dit stadsdeel vertelt een heel ander verhaal dan de wijk Makiso, waar ik nu logeer. Het plattelandsleven van Lubunga is organisch verweven met de omgeving. Het geeft de indruk van een bijna idyllische plaatje, waarbij het privéleven naadloos lijkt over te gaan in een openbaar gemeenschappelijk leven.



Hier heerst niet de hectiek van de stad. Het leven speelt zich onder de zon af, waarbij kippen en geiten deel uitmaken van het straatbeeld. Er is geen zichtbaar contrast tussen rijk en arm en nauwelijks gemotoriseerd verkeer. Een imposant kerkgebouw, centraal in het dorp, herinnert aan koloniale tijden van weleer. In de tuin repeteert het koor opwekkende gospelliederen. Er wordt blootsvoets gevoetbald op de roodgekleurde aarde en kinderen spelen er ongestoord hun spel. Voor de meest basale levensvoorwaarden is deze stadswijk, in alle eenvoud, zelfvoorzienend. Bij de rivier staat een enorme vierkante stellage van gestapelde blokken klei. Een steenoven. In het hart van de kleistapel is een holte uitgespaard, waarin houtbussels verbrand worden om de klei uit te laten harden tot bouwstenen voor het dorp.

Mijn 'missie' voor het Centre Simama zit er na tweeëneenhalve maand op. Een enerverende periode waarin ik deel uitmaakte van een samenleving die opkrabbelt uit een turbulent oorlogsverleden. Meer hierover is te lezen in een indringende reportage uit 2003 van de Belgische krant De Standaard: Kisangani kruipt langzaam uit een bijzonder diep dal. Er is intussen veel verbeterd en gelukkig zat ik aan de 'rustige' kant van het verhaal. Een plaats waar het leven ondanks alle problemen toch vooral in saamhorigheid geleefd wordt. Waar zelfs een sprankje hoop gloort voor de toekomst. Het gewelddadige verleden lijkt de bewoners alert en weerbaar te maken. Voor mij was het een ongekend inspirerende ervaring met veerkrachtige en levenslustige mensen, die in een schitterend land - soms onbeschrijflijk chaotisch - op de rand van een borrelende vulkaan dansen.


donderdag 6 december 2018

Kisangani kruipt uit een diep dal.





Een indringende reportage uit 2003 van de Belgische krant De Standaard,
door Walter Zinzen - 15 november 2003.


REPORTAGE. Kisangani 

kruipt langzaam uit een 

bijzonder diep dal



Vorig jaar bezocht de oud-VRT-journalist Walter Zinzen Kisangani, de grootste stad
van Oost-Congo. Hij schetste er een grimmig beeld van een stad die door oorlog,
honger, armoede en corruptie haast geen toekomst meer leek te hebben. Toen hij
onlangs terugging, stelde hij vast dat het 'normale' leven zich, dankzij het broze
Congolese vredesproces, heel langzaam herstelt. Maar de armoede blijft stuitend:
"Drie vierde van de bevolking leeft onder de armoedegrens.''

JE HOUDT HET niet voor mogelijk: het grauwe, grijze, vieze, vuile, vale Kisangani wordt waarachtig weer fleurig. Gevelschilders toveren de stad om in een zee van helle kleuren. Opdrachtgevers zijn drie mobiele-telefoonmaatschappijen, die van de hereniging van Congo gebruik maken om in alle steden een agressieve reclamecampagne te voeren. Hun succes is enorm.

Niet langer dan drie maanden geleden was Kisangani, de grootste stad van Oost-Congo, zo goed als afgesneden van de rest van de wereld. Nu heeft iedereen die het kan betalen, een gsm op zak, waarmee de hele dag driftig wordt gebeld. Ook op het Internet storten de inwoners van Kisangani zich als uitgehongerde leeuwen. De tarieven zijn nochtans torenhoog, want alles gaat per satelliet, zelfs de lokale verbindingen. Maar het is vooral psychologisch een belangrijke zaak.

Toen in 1998 de 'eerste wereldoorlog op Afrikaans grondgebied' uitbrak tegen de toenmalige president, Kabila de Oude, kwam Kisangani onder het gezag van de rebellenbeweging RCD. Die had haar hoofdkwartier in het duizend kilometer verderop gelegen Goma, aan de grens met Rwanda. Vijf jaar lang voelden de mensen van Kisangani zich van God en de wereld verlaten: geen communicatie met de buitenwereld, geen mogelijkheid om te reizen, zelfs de scheepvaart op de Congostroom werd door de rebellen en hun Rwandese beschermheren onmogelijk gemaakt. Russische Antonov-vrachtvliegtuigen waren het enige tastbare bewijs dat er ook buiten Kisangani nog leven was.

Toen in augustus vorig jaar eindelijk een overgangsregering onder leiding van president Kabila de Jonge werd gevormd, waarin ook rebellen van allerlei slag zitting namen, ging voor Kisangani letterlijk de hemel open: daar zorgden niet alleen de satellieten voor, ook de lijnvluchten op Kinshasa en andere steden werden hersteld, en er legden ook weer schepen uit de hoofdstad aan in de haven.

Ook het politieke isolement werd doorbroken: de internationale gemeenschap is opnieuw fysiek aanwezig. Zo komt het dat ook België zijn steentje bijdraagt aan de verfraaiing van de stad. De ministers Michel en Verwilghen hebben vorige maand in een keurig opgeknapt gebouw (waar ooit het Belgische Agence Maritime Internationale heeft gezeten) officieel een filiaal van de Belgische ambassade geopend. Over afzienbare tijd moet het een heus consulaat worden, en ook de officiële Belgische ontwikkelingssamenwerking zal er een plek krijgen. In heel Kisangani wappert maar één buitenlandse vlag: de Belgische driekleur. Het is ironisch: in Kisangani, ooit het bolwerk van het Congolese nationalisme, waar Lumumba zijn eerste en zijn grootste successen heeft geboekt, wordt de gewezen kolonisator met open armen ontvangen.

Als we op een avond in een vrolijk gezelschap terechtkomen, wordt tot onze stomme verbazing uit volle borst de Brabançonne aangeheven. Maar een paar dagen later vraagt ons een verbitterde jonge vrouw, van wie de zoon door Rwandese militairen is omgebracht: ,,Waarom hebben de Belgen ons zo lang in de steek gelaten? Waarom hebben ze niets gedaan om het moorden en plunderen hier te stoppen?''

HOE SNEL DE veranderingen ook gaan, de herinnering aan vijf verschrikkelijke jaren is inderdaad niet in een paar maanden weg te vegen. De heropening van de Congostroom voor de bevoorrading van de stad heeft maar heel beperkte gevolgen. Vele producten zijn wel goedkoper geworden omdat ze niet meer per vliegtuig aangevoerd hoeven te worden, maar er is domweg onvoldoende koopkracht.

,,Naar schatting drie vierde van de bevolking leeft onder de armoedegrens, met een gemiddeld inkomen per dag en per persoon van minder dan een halve euro'', zegt Jules Likunde, een man die in allerlei organisaties actief is om de ergste noden te lenigen. Met primitieve middelen probeert hij bijvoorbeeld ondervoede baby's en kinderen op te vangen in hulpposten. Maar hij heeft niet kunnen verhinderen dat in een van die posten in een maand tijd dertien kinderen van honger zijn gestorven.

Een van de oorzaken van de extreme armoede is het ontbreken van economische activiteiten van enige betekenis. De voorwaarden voor een heropleving zijn (nog) niet vervuld. Raymond Mokeni was in de jaren tachtig een goed boerende industrieel, maar tijdens de afgelopen oorlog zijn al zijn bedrijven in het binnenland leeggeplunderd en is zijn wagenpark gestolen.

,,Hoe zou u willen dat ik opnieuw begin?'' vraagt hij bitter. ,,Vijf jaar lang heb ik niet kunnen werken. Eigen middelen om mijn activiteiten opnieuw op te starten, heb ik niet, staatssteun is uitgesloten en de internationale gemeenschap laat ons stikken. Voor mij en mijn collega's is er zelfs geen straaltje hoop meer.''

Hetzelfde geluid bij Sotexki, een reusachtige textielfabriek die ooit werd opgericht om de plaatselijke katoenproductie te verwerken. In haar gloriedagen verschafte ze meer dan 2.000 arbeiders werk, nu nog 270, voor een deel dan nog dagloners. Ze verdienen 50 eurocent, waarmee ze een halve fles bier of drie eieren kunnen kopen. De vaste arbeiders hebben op papier een minimuminkomen van 50 euro per maand, maar het bedrijf is niet in staat dat bedrag ook uit te keren.

,,We krijgen onze producten gewoon niet verkocht'', zucht directeur Jean Mukandama. ,,De mensen hebben er het geld niet voor. Bovendien worden onze ontwerpen gejat, in Thailand nagemaakt en hier tegen dumpingprijzen op de markt gegooid. Daar kunnen we niet tegenop.''

De armoede onder de bevolking heeft nog een tweede oorzaak: al zes jaar lang worden de overheidsdienaren niet meer betaald. Leerkrachten, artsen en verpleegkundigen in ziekenhuizen, ambtenaren, soldaten en politieagenten krijgen geen salaris. Voor leerkrachten en artsen werd een 'premie' ingesteld: een klein bedragje dat door de ouders van de leerlingen en de patiënten wordt betaald. Maar voor de anderen is er helemaal niets.

Noodgedwongen schakelen de mensen dus over op overlevingsstrategieën. Op dat vlak loopt de faculteit wetenschappen van de plaatselijke universiteit voorop. Het is al veertien jaar geleden dat de Vlaamse hoogleraar Hugo Gevaerts, die toen decaan van de faculteit was, een project begon dat zowel de voedselvoorziening moest verbeteren als het omringende woud moest beschermen. Na zijn vertrek hebben zijn Congolese collega's het werk op waarlijk schitterende wijze voortgezet (met financiële steun van onder meer het Limburgs Universitair Centrum en de Internationale Rotary). In de moerassige gebieden rond de stad leggen ze rijstvelden en visvijvers aan, ze experimenteren met nieuwe, voedzame bananensoorten, en vooral: ze hebben de kweek van varkens en konijnen ingevoerd. Aan de Belgische ontwikkelingssamenwerking werd gevraagd het project over te nemen. Ondanks unaniem gunstige adviezen is dat nog altijd niet gebeurd. Men vraagt zich af waarom.

WIE NIET OP de Belgische zegen wacht, zijn de vrouwen van Kisangani. Zoals vrijwel overal in Afrika zorgen zij ervoor dat er überhaupt nog leven is in de stad. Neem nu mevrouw Ilunga, getrouwd, moeder van acht kinderen. Van beroep is ze inspectrice in het kleuteronderwijs. Onbezoldigd, want eigen leerlingen heeft ze niet en dus krijgt ze ook geen premie. Voorts studeert ze geschiedenis en is ze voorzitter van een vrouwenorganisatie. Ze is uiteraard ook huisvrouw en ze bewerkt haar eigen veldje op zo'n 10 kilometer van de stad. Die afstand legt ze dagelijks te voet af, in de brandende zon. Ze kweekt ook haar eigen varkens, zoals de faculteit wetenschappen het heeft voorgedaan. Maar de varkens lopen niet vrij rond: ze zitten in een put. Waarom?

Mevrouw Ilunga: ,,Om ze te beschermen tegen diefstal. Een varken of een geit kost algauw 30 euro, dat is een hele investering en dus een aanlokkelijke prooi voor dieven. Vaak worden die dieven en hun buit teruggevonden: het zijn meestal jongens uit de buurt. Als we er dan de politie bij halen, eist die 30 euro om ons eigen beest terug te kopen. Een beetje verderop werd een geit gestolen. Toen ze teruggevonden werd, had ze twee jongen geworpen. Ook toen eiste de politieman 30 euro; de twee jongen hield hij voor zichzelf. Wij vermoeden dat de politie zelf opdracht geeft om onze beesten te stelen. Zo zorgen ze voor hun eigen 'premie'.''

Stilaan groeit ook het besef -- eindelijk -- dat de Congolezen zelf de handen uit de mouwen moeten steken.hier René Ngongo is categorisch: ,,Met het eeuwige bedelen moet het afgelopen zijn. Wij willen self-supporting worden.'' Ngongo is voorzitter van een samenwerkingsverband van Congolese ngo's die vooral economische activiteiten willen stimuleren. ,,Wij werken met microkredieten die steeds opnieuw worden uitgekeerd. Het uitgeleende bedrag moet immers worden terugbetaald, zodat iemand anders ermee kan worden voortgeholpen.''

Hoe belangrijk die kleine bedragen zijn, toont Ngongo aan met het volgende voorbeeld: ,,Een maman vertrekt 's ochtends naar de markt zonder 1 Congolese frank op zak. Bij een groothandelaar wil ze een zak rijst kopen om die door te verkopen. Dat kan dus alleen op krediet. In plaats van de normale prijs van 30 euro zal ze 40 euro moeten betalen. Als ze dan na twee of drie dagen hard werken de leverancier betaald heeft, houdt ze hooguit nog een euro of twee over. Als ze bij ons komt, krijgt ze meteen 30 euro, daarmee kan ze haar rijst tegen de normale prijs inkopen. Haar winst bedraagt dan 10 euro of meer, ze is in staat om de lening terug te betalen en ze kan op eigen kracht verder.''

Een mooi verhaal, dat wel. En waar is het ook. Maar als we een van de verkoopsters opzoeken die een microkrediet van Ngongo hebben gekregen, blijkt het om de vrouw van een vice-gouverneur te gaan. Begrijpelijk is het wel: wie iets wil verwezenlijken, doet er beter aan de gezagsdragers te vriend te houden. En die gezagsdragers zijn nog altijd dezelfde als vroeger. Ook na de hereniging wordt Kisangani en een groot deel van de Oostprovincie -- waarvan het de hoofdstad is -- 'geregeerd' door lieden van de RCD, de voormalige rebellenbeweging. Dat wil zeggen dat op alles en nog wat belastingen worden geheven, ook op de verkoop van diamanten, bijvoorbeeld. Maar niets daarvan komt de bevolking ten goede. De RCD zorgt uitsluitend voor zichzelf.

OP 31 OKTOBER werd in Kisangani het nieuwe academisch jaar voor heel Congo geopend. Een symbolische geste om de hereniging van het land nog eens extra in de verf te zetten. Dat is letterlijk te nemen: ook het 'amfitheater' waarin de plechtigheid plaatsvond -- een 'gift' uit de Mobutu-tijd -- is in nieuwe frisse kleuren gestoken. Door een telefoonmaatschappij, uiteraard.

Een van de vier vice-presidenten was speciaal voor de gelegenheid uit Kinshasa overgekomen. Als hij de moeite had genomen zijn neus even buiten Kisangani te laten zien, dan had hij zelf kunnen vaststellen dat er van hereniging in het binnenland nog geen sprake is. De weg naar Bafwasende bijvoorbeeld, een diamantcentrum op 270 kilometer van Kisangani, is nog altijd in tweeën gedeeld. De eerste helft van de weg wordt gecontroleerd door militairen van de RCD, de tweede door hun voormalige vijanden van de MLC, de beweging van de huidige vice-president Bemba. Beide legers hebben wegversperringen opgericht, beide eisen tol van de passanten, meestal boeren op de fiets.

Bafwasende zelf lijkt op een bezette stad. De MLC-soldaten controleren elke straat en elke weg. Drie á vier keer per week landt op het vliegveldje een Antonov van de maatschappij Mango Mat. Het toestel wordt omsingeld door militairen om te beletten dat pottenkijkers zien wat er gebeurt. Maar bronnen bij de Monuc (de troepenmacht van de Verenigde Naties) zijn formeel: de Antonovs smokkelen diamanten naar Butembo, vanwaaruit ze naar buurland Uganda en verderop naar onder meer Antwerpen worden geëxporteerd. Aan de plundering van de Congolese grondstoffen is dus nog geen einde gekomen. Bemba combineert zijn functie als vice-president in Kinshasa ongegeneerd met die van plunderende krijgsheer.

Op zo'n 150 kilometer van Bafwasende ligt een ander mijncentrum: Opienge. Daar zijn de Maï-Maï dan weer de baas, een militie die met de troepen van Bemba al menig conflict heeft uitgevochten, met telkens dezelfde inzet: de controle over de diamanthandel. De gevechten, zo vrezen de Monuc-waarnemers, kunnen elk ogenblik opnieuw opflakkeren.

President Kabila lijkt zich van het gevaar bewust: hij heeft een Maï-Maï-generaal benoemd tot militaire commandant van de Oostprovincie. Het is zijn opdracht de wegversperringen op te ruimen en de militairen van allerlei pluimage naar hun kazernes terug te sturen. Maar hoe kan zo'n man zijn gezag vestigen over militairen die gisteren nog zijn bitterste vijanden waren? Het leger in Kisangani zelf staat nog altijd onder leiding van een zekere kolonel Séraphin, een Rwandees. Rond de stad ligt een gordel van militaire kampen van de RCD, maar de bevelvoerende officieren zijn Rwandezen. Of beter gezegd: het zijn 'Congolezen met een Rwandees uiterlijk', zoals de officiële versie luidt.

Maar er is meer. De openlijke dreiging met een nieuwe rebellie is niet afgenomen, integendeel. Kolonel Laurent, nog zo'n 'Congolees met een Rwandees uiterlijk' zou, zo vermoedt de Monuc, met een onbekend aantal gewapende lieden verdwenen zijn naar de Masisistreek, in Kivu, om er een nieuwe opstand voor te bereiden (Laurent wordt verantwoordelijk geacht voor de slachtpartij in Kisangani op 14 mei vorig jaar, toen meer dan 200 mensen werden vermoord ). Ook generaal Bora, die eerder al eens geprobeerd had voor zichzelf te beginnen, zou een militie trainen op een eiland in het Kivumeer. Bora, bij verstek ter dood veroordeeld wegens zijn vermoedelijke aandeel in de moord op Kabila de Oude, werd in augustus na een hevig gevecht, waarbij 20 mensen omkwamen, in Kisangani gearresteerd, maar daarna weer vrijgelaten.

Een ding is duidelijk: die heren kunnen niets ondernemen zonder de stilzwijgende steun van Rwanda, dat tot nader order een belangrijke speler blijft in heel Oost-Congo. Rwanda blijft dreigen met een nieuwe bezetting zolang niet alle Interahamwe zijn opgepakt. (Interahamwe is de naam van de beruchte militie die in 1994 mee de volkenmoord in Rwanda heeft uitgevoerd en nadien naar Congo is gevlucht.) ,,Maar in feite'', zegt Raymond Mokeni, ,,bedoelen ze met Interahamwe: ons goud, onze diamanten, ons hout.''

Rwandese soldaten hebben zich in elk geval de afgelopen vijf jaar in Oost-Congo aan verschrikkelijke misdaden schuldig gemaakt. Het is onduldbaar dat Rwanda het fragiele vredesproces nog een keer zou komen verstoren. Als het minister Louis Michel ernst is met zijn steun aan dat vredesproces, dan moet de Rwandese president Kagame onder druk worden gezet met het enige middel waarvoor hij gevoelig is: het stopzetten van alle kredieten. Ook de VS en de andere grote donoren van Rwanda moeten dat middel hanteren. Kagame loven en prijzen, zoals onze minister van Buitenlandse Zaken doet, is zoveel als spuwen op het graf van de drie miljoen onschuldige doden die in Oost-Congo zijn gevallen. En van wie de nabestaanden zich blijven afvragen: ,,Waarom hebben de Belgen ons in de steek gelaten?''